Geschiedenis
Zoals de naam al aangeeft (auto = "zelf", mobiel = "bewegend"), is een automobiel een voertuig dat zich uit zichzelf voortbeweegt. Nou ja, helemaal vanzelf gaat het uiteraard niet. Er is wel een aandrijving nodig.
Een tractor op stoom
Bij het eerste zelfstandig voortbewegende voertuig, dat in 1769 door de Fransman Nicolas Joseph Cugnot werd uitgevonden, zorgde een stoommachine voor de aandrijving. Het was een soort tractor op drie wielen die gebruikt werd om het geschut van het Franse leger te vervoeren. Dat gebeurde met een razende snelheid van zo’n vier kilometer per uur. Elke tien tot vijftien minuten moest er worden gestopt om nieuwe stoomkracht te genereren.
Door de superzware stoommachine was Cugnots voertuig nauwelijks vooruit te branden en weinig praktisch. Hetzelfde gold voor de voertuigen die in de decennia daarna het levenslicht zagen. Veel historici gunnen de eer van "uitvinder" van de auto dan ook liever aan de Duitsers Nikolaus Otto, Gottlieb Daimler of Karl Benz, die pas een eeuw later op het toneel verschenen.
De begindagen van de moderne auto-industrie
In de jaren ’70 en ’80 van de 19de eeuw waren zij de eersten die praktische en succesvolle wagens produceerden op basis van de veel lichtere verbrandingsmotoren.
Otto bouwde de eerste effectieve gasmotor en Daimler bouwde de eerste praktische automobiel die door een interne verbrandingsmotor werd aangedreven. Benz introduceerde de auto met benzinemotor en liet zijn vrouw Bertha een geslaagde proefrit van maar liefst 80 kilometer maken. Door dit succes wist hij gelijk tientallen van zijn creaties te verkopen.
Aangezien er zo’n 100.000 patenten aan de basis liggen van de moderne auto, is het eigenlijk onzin om van één uitvinder te spreken. Feit is wel dat het Duitse trio de grondslag legde voor de moderne auto-industrie.
Het eerste bedrijf dat zich exclusief toelegde op de productie van auto's was het Franse Panhard et Levassor in 1889. Peugeot volgde twee jaar later. Al snel schoten overal de autobedrijfjes als paddestoelen uit de grond, waarvan de meeste overigens binnen de kortste keren ook weer failliet gingen.
De auto in Nederland
In de begindagen was elk automobiel nog anders. De eerste in serie geproduceerde auto was de Benz Velo, waarvan er 130 werden geproduceerd in 1895.

In 1913 introduceerde de Amerikaan Henry Ford de lopende band in de autofabriek. Daardoor gingen de productiekosten flink omlaag en werd bovendien veel tijd bespaard. Het kostte uiteindelijk nog maar 93 minuten om de befaamde T-Ford in elkaar te zetten. Er zouden miljoenen exemplaren van dit model van de lopende band rollen.
Diverse daarvan vonden ook hun weg naar Nederland, waar de Haagse hoffotograaf Adolphe Zimmerman als eerste automobilist rondreed. Hij kocht zijn Benz in 1896. Een jaar later begon Eysink als eerste Nederlandse fabrikant met de productie van auto’s.
Bedrijven als die van Van Altena, Spijker en Van Aerts volgden, maar geen enkele Nederlandse auto was een erg lang leven beschoren. Ook de DAF niet, de compacte automaat die in 1958 werd geïntroduceerd.
En dat terwijl de auto in ons land toch populair genoeg is. Met zijn allen bezitten we er momenteel bijna 7,5 miljoen...
