Moderne politiek 1

Na de Tweede Wereldoorlog werd de politiek in België beheerst door de koningskwestie. Socialisten en communisten keurden de houding van koning Leopold III tijdens de oorlog af, en wilden niet dat hij terugkeerde.

In 1950 werd over deze kwestie een referendum gehouden. Daarbij sprak 57% van de Belgen zich uit voor de koning, maar bij zijn terugkeer braken er hevige rellen uit. Leopold besloot daarop in 1951 afstand te doen van de troon en zijn zoon Boudewijn volgde hem op.

Al tijdens de oorlog zagen de regeringen in ballingschap van Nederland, België en Luxemburg de noodzaak van samenwerking. In die tijd werd de grondslag gelegd voor de Benelux, een douane-unie die in 1948 in werking trad.

Deze drie landen waren dan ook sterk voorstander van verdere Europese integratie die in 1952 gestalte kreeg in de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS), de voorloper van de EEG. Behalve de Benelux-landen waren Frankrijk, Duitsland en Italië bij de EGKS aangesloten.

Ook militair gingen de Europese landen samenwerken in de NAVO. Zowel het hoofdkwartier van de Europese Unie als de NAVO is gevestigd in Brussel.

In Belgisch Congo laaide de onafhankelijkheidsstrijd op. In 1960 trokken de Belgen zich uit hun kolonie terug. Meteen daarna braken onlusten uit en het Belgische leger kwam tussenbeide om de orde te herstellen.

Het mandaat dat de Belgen na de Eerste Wereldoorlog hadden gekregen over Rwanda-Urundi in Oost-Afrika liep in 1962 af. Het gebied werd verdeeld in de staatjes Rwanda en Burundi.

[Vervolg: Politiek 2]