Moderne politiek 1

Nadat Vargas in 1954 door het leger was gedwongen af te treden, volgde er een periode van verschillende presidenten.

Intussen ging het met de economie bergafwaarts. In het begin van de jaren '60 stond Brazilië er economisch zo slecht voor dat het leger besloot zich met de politiek te gaan bemoeien. In 1964 volgde een militaire staatsgreep. De militaire dictatuur zou tot 1985 voortduren.

Monument voor het leger in Rio de Janeiro

Vakbonden werden verboden en de grondwet was op bepaalde punten buiten werking gesteld. De oppositie werd uiterst wreed onderdrukt. Economisch ging het Brazilië voor de wind, althans tot de oliecrisis van 1973.

Officieel waren er twee politieke partijen toegestaan: de door de militairen gecontroleerde ARENA-partij en de MDB, een oppositiepartij. In de praktijk hielden de militairen de touwtjes strak in handen, door bijvoorbeeld verkiezingsuitslagen te manipuleren of ongeldig te verklaren.

Halverwege de jaren '70 leek er enige versoepeling op te treden. Zo werd de perscensuur op kranten en tijdschriften opgeheven; radio en tv bleven onder militaire controle staan.

Die versoepeling kreeg verder vorm onder generaal Figueiredo, die in 1978 was aangetreden. Hij moest wel, want de oppositie tegen de militairen won aan kracht.

In de grote steden werden demonstraties gehouden en stakingen georganiseerd. Figueiredo verleende amnestie aan alle politieke gevangenen en het twee-partijensysteem werd opgeheven.

[Vervolg: Politiek 2]