Moderne politiek 1
Na hun overwinning op de Kwomintang begonnen de communisten, onder leiding van voorzitter Mao, meteen met hun hervormingen. Het land van grootgrondbezitters werd onder kleine boeren verdeeld en bedrijven werden genationaliseerd.
Al kort na het uitroepen van de Volksrepubliek kwamen de Chinese communisten tegenover de Westerse landen te staan. De Chinezen steunden (communistisch) Noord-Korea in de oorlog tegen Zuid-Korea (1950-1953). De verhoudingen met het Westen werden er niet beter op toen China Tibet annexeerde en in de jaren '50 een opstand daar bloedig neersloeg.
Door de hervormingen en de militaire successen op het Koreaanse schiereiland konden de communisten aanvankelijk rekenen op brede steun onder de bevolking. In 1956 dacht Mao zelfs dat het prestige van de Communistische Partij groot genoeg was om het volk de kans te bieden kritiek uit te oefenen. Tot verrassing van de leiders kwam er een stroom van kritiek los, vooral op de bevoorrechting van partijleden. Toen de kritiek steeds grotere vormen aannam, besloot Mao in te grijpen. De voorstanders van de harde lijn kregen de vrije hand om critici aan te pakken. Vele Chinezen werden in werkkampen opgesloten en kinderen werden van hun ouders gescheiden om hun "verderfelijke invloed" tegen te gaan.
Vervolgens kondigde Mao "De Grote Sprong Voorwaarts" aan. Met de opbrengsten van de landbouw zou China in korte tijd een industrie opbouwen. Het programma mislukte grandioos, door desorganisatie en tegenslagen als misoogsten en overstromingen. Het land kreeg te maken met een hongersnood die waarschijnlijk aan miljoenen Chinezen het leven heeft gekost.
Met dit programma brak China met het Sovjet-systeem van economische ontwikkeling. Daarnaast moest Peking steeds meer afbetalen van de leningen die de Sovjet-Unie had verstrekt, streden de landen om invloed in de Derde Wereld en vond Peking dat de Sovjet-Unie te toegeeflijk was tegenover de VS. Bovendien stelden de Chinese communisten de Chinees-Russische grenzen ter discussie, omdat die waren vastgesteld in de "verderfelijke" tsaristische tijd. In 1966 verbraken de twee landen officieel hun betrekkingen.

In de jaren '60 voerde Mao grote zuiveringen door in de Communistische Partij. Lin Bao werd minister van Defensie. Hij was de architect van de persoonsverering van Mao als "De Grote Roerganger". Hij gaf een boekje uit met citaten van Mao, het roemruchte Rode Boekje. Bestudering ervan was verplicht voor iedereen.
Lin Bao bereidde ook plannen voor die in 1966 zouden leiden tot de Culturele Revolutie. Jongeren werden georganiseerd in Rode Gardes en aangemoedigd hun leraren en professoren aan te klagen wegens "afwijkingen van de leer van Mao". De Rode Gardisten werden echter steeds fanatieker. Duizenden mensen werden opgesloten en zonder vorm van proces vermoord. Tienduizenden anderen werden ontslagen en verbannen naar de provincies om te worden "heropgevoed". Uiteindelijk kwamen delen van de Chinese bevolking in verzet tegen deze terreur en het had weinig gescheeld of er was een burgeroorlog uitgebroken in China.
[Vervolg: Politiek 2]
