Volk en cultuur 1

Bij de volkstelling van 1953 telde China 582 miljoen inwoners. In vijftig jaar tijd is dat aantal meer dan verdubbeld. Nu wonen er in China ruim 1,3 miljard mensen, oftewel zo’n 20% van de wereldbevolking.

Om die bevolkingsexplosie het hoofd te bieden, voert China al sinds de jaren '60 de zogeheten één-kind-politiek. Dat betekent dat elk ouderpaar niet meer dan een kind mag hebben. Niet iedereen houdt zich daaraan. Vooral op het platteland willen boeren in ieder geval een zoon om te kunnen helpen bij het werk op de boerderij. Meisjes worden vlak na de geboorte soms gedood. In China worden volgens de officiële aangiften dan ook opvallend meer jongens geboren dan meisjes (119 tegenover 100, cijfers 2006).

Inwoners van het in 1950 door China geannexeerde Tibet

De grote meerderheid van de bevolking (ongeveer 95%) bestaat uit Han-Chinezen. Vanuit Noord- en Oost-China verspreidden ze zich over het hele land. Daarnaast zijn er 55 erkende minderheden. Die leven vaak nog in hun eigen woongebieden, zoals de Oeigoeren in Xinjiang Uygur (West-China), de Tibetanen in Tibet, de Zhuang in Guangxi Zhuang (Zuid-China), de Mongolen in Binnen-Mongolië en de Hui in Ningxia Hui (beide in Noord-China).

Alle bovengenoemde traditionele woongebieden hebben een (beperkte) vorm van zelfstandigheid. Toch hebben de Chinezen er alles aan gedaan om de volkeren aan zich te onderwerpen.

Zo probeerde de regering met gedwongen migraties het aantal Han-Chinezen in die gebieden in de meerderheid te brengen. Dat leidde geregeld tot conflicten, omdat de Han-Chinezen de beste baantjes kregen.

De etnische minderheden werden ook vervolgd. Vooral de boeddhistische Tibetanen en de islamitische Oeigoeren, Kazachen en Hui hebben daaronder te lijden gehad. Sinds de dood van Mao is de houding tegenover de minderheden versoepeld. Zo werd onder meer de vrijheid van godsdienst hersteld.

[Vervolg: Volk en cultuur 2]