Geografie

Denemarken ligt tussen de Noordzee en de Oostzee en bestaat uit twee duidelijk verschillende delen. Het ene deel – het schiereiland Jylland (Jutland) – hoort bij het Europese vasteland en grenst in het zuiden aan Duitsland. Het andere deel bestaat uit een archipel van meer dan 500 eilanden, waaronder drie grote.

Het grootste eiland is Sjælland (Seeland) dat van Zweden gescheiden wordt door een smalle zeestraat, de Øresund (Sont). Aan de oostkust van dat eiland ligt de hoofdstad Kopenhagen, tegenover Malmö in Zweden. Die twee steden zijn sinds 2000 verbonden door een brug-tunnel.

Met een oppervlakte van ruim 43.000 km² is Denemarken iets groter dan Nederland. Het land heeft bijna 5,5 miljoen inwoners en is dus relatief dunbevolkt.

Bij Denemarken horen twee overzeese gebiedsdelen: de Faeröer Eilanden (ten noorden van Schotland) en Groenland (tussen IJsland en Canada). Deze twee gebieden hebben overigens volledig zelfbestuur.

Disko Bay aan de westkust van Groenland

Zo werd Denemarken – inclusief Groenland en de Faeröer Eilanden – in 1972 lid van de Europese Gemeenschap, maar Groenland trok zich daar later (1985) uit terug. De Faeroër Eilanden streven naar onafhankelijkheid, wat in 2012 zijn beslag zou moeten krijgen.

Denemarken heeft een zeer vlak landschap en wordt in die zin vaak vergeleken met Nederland. Dat komt het sterkst tot uiting aan de westkust ten zuiden van Esbjerg. Dit is een onderdeel van het waddengebied zoals dat vanaf het Nederlandse Texel via de Duitse kust naar Denemarken loopt. In dat westelijke deel liggen verder – net als in Nederland – talrijke polders. Ten noorden van Esbjerg bestaat de kust uit inhammen achter landtongen, een zogeheten lagunekust.

Hoe verder je van de westkust naar het oosten gaat, hoe heuvelachtiger het landschap wordt. Deze heuvelruggen zijn tijdens de ijstijden gevormd. Ze worden de "Deense bergen" genoemd wat Noren en Zweden wat meewarig doet glimlachen. Het hoogste punt van Jutland is Yding Skovhøj (173 m) in het oosten.

Aan de oostkust van Jutland dringen fjorden diep het land binnen. Deze fjorden zijn veel minder spectaculair dan de fjorden in Noorwegen, ze hebben geen steile wanden. De grootste fjord ligt in het noorden: de Limfjord loopt dwars door Jutland en samen met het korte Tyborønkanaal vormt het een waterverbinding tussen de Noordzee en het Kattegat.

Ook de eilanden in het oosten van Denemarken zijn het resultaat van de ijstijden. Ooit was er een landverbinding met Zweden, maar na het smelten van het ijs en het stijgen van de zeespiegel is deze landbrug weer verbroken. Ook op deze eilanden worden de hoogste delen gevormd door oude morenewallen, die werden opgeworpen door het ijs. Op het eiland Fyn (Funen) is het hoogste punt de Frøbjerg (128 m), op Sjælland is dat de Gyldenlovenshøj (126 m).

Het meest oostelijke eiland van Denemarken is Bornholm in de Oostzee, tussen de Zweedse zuidkust en Polen. Dit eiland heeft een heel eigen karakter. Het landschap van graniet en zandsteen is ruig, met aan de noordkust steile kliffen. Toerisme is op Bornholm een belangrijke bron van inkomsten.

Frits Mulder, Taal en tekst.