Moderne politiek 1
Na de Tweede Wereldoorlog was Finland er weliswaar in geslaagd onafhankelijk te blijven, maar – zeker in de eerste jaren na de oorlog – was die onafhankelijkheid erg wankel. Finland was bang hetzelfde lot te ondergaan als de landen in Oost-Europa die langzaam maar zeker satellietstaten werden van de Sovjet-Unie.
In 1946 werd Juho Kusti Paasikivi president van Finland. Hij zag het als zijn belangrijkste taak de verhouding met de Sovjet-Unie te stabiliseren. Dat lukte: in 1948 sloten de twee landen een Verdrag van Vriendschap, Samenwerking en Wederzijdse Steun.
Finland beloofde daarin dat er geen aanval zou plaatsvinden op de Sovjet-Unie via Fins grondgebied, en de Sovjet-Unie erkende de onafhankelijkheid van Finland. Ook stond in het verdrag dat Finland een ongebonden, neutraal land was. Daardoor kon het geen aanspraak maken op de (Amerikaanse) Marshallhulp die bedoeld was om het gehavende Europa na de oorlog uit het slop te trekken.
De vrees voor een Sovjet-inval heeft ruim veertig jaar lang de politiek bepaald in Finland. Hoewel Finland door veel Westerse landen gezien werd als een meeloper van de Sovjet-Unie had het beleid het door Finland gewenste resultaat. Het land bleef onafhankelijk en er was geen directe bemoeienis van de Russen. Finland deed er dan ook alles aan om de Sovjet-Unie te vriend te houden: kritiek op de Sovjet-Unie of het communisme was niet toegestaan.
Heel geleidelijk wist Finland aansluiting te krijgen bij Westerse landen. Zo werd het in 1961 lid van de Europese Vrijhandels Associatie (EVA), een samenwerkingsverband van landen die niet tot de Europese Gemeenschap behoorden.
In datzelfde jaar dreigde er overigens een crisis. Na de oprichting van de Berlijnse Muur en de spanningen die daaruit voortvloeiden, bood de Sovjet-Unie Finland "bescherming" aan. President Kekkonen wist de Russische leider Chroestsjov ervan te overtuigen dat Finland neutraal bleef en dus geen "bescherming" nodig had.
[Vervolg: Politiek 2]
