Politiek 1
Na de roerige jaren van burgeroorlog leek Griekenland in 1952 in rustiger vaarwater te komen. In dat jaar won de rechtse partij Griekse Concentratie de verkiezingen en werd Alexandros Papagos minister-president. Het was ook het jaar waarin Griekenland toetrad tot de NAVO.Na de dood van Papagos in 1955 benoemde koning Paul de tot dan toe vrij onbekende Konstantinos Karamanlis tot premier. De kwestie-Cyprus hield de gemoederen bezig.
Kwestie-Cyprus
Dit eiland in de Middellandse Zee stond al sinds 1878 onder Brits bestuur. De overgrote meerderheid van de bewoners (80%) bestond uit Grieken, die zich graag wilden aansluiten bij Griekenland.Daar was Turkije fel tegen gekant, omdat er op het eiland ook Turken woonden (20%). In 1959 bereikten de partijen een compromis: Cyprus zou een zelfstandig land worden binnen het Britse Gemenebest. In 1960 werd de Republiek Cyprus gesticht.
Karamanlis trad af in 1963, nadat zijn slepende conflict met koning Paul in de volle openbaarheid kwam. De regering had de koning geadviseerd geen staatsbezoek te brengen aan Groot-Brittannië. De koning ging toch.
De verkiezingen van 1964 werden een overwinning voor de partij Unie van het Centrum van de hervormingsgezinde Georgios Papandreou. Zijn regering zou het slechts 18 maanden uithouden.
Papandreou trad af nadat zijn zoon Andreas in verband werd gebracht met een geheime organisatie van linkse legerofficieren. Vele betrokkenen kwamen voor de rechter, maar niet Andreas, omdat hij als parlementslid onschendbaarheid genoot. Dat zette kwaad bloed bij rechtse legerofficieren. Zij zagen Andreas Papandreou als een gevaarlijke communist.
Kolonelsregime
Dit sluimerende conflict kwam tot uitbarsting op 21 april 1967. Rechtse militairen onder leiding van kolonel Georgios Papadopoulos pleegden een staatsgreep.Koning Constantijn legde zich aanvankelijk bij de situatie neer. Hij benoemde een burger –Kollias– tot minister-president, maar het was duidelijk dat de echte macht bij de militairen lag. Deze militaire junta werd bekend als het kolonelsregime.
Constantijn deed in december 1967 een zwakke poging tot een tegen-coup. Die mislukte en Constantijn vluchtte naar Italië.
De kolonels arresteerden honderden mensen die werden verdacht van linkse sympathieën. Al snel werd duidelijk dat deze gevangenen in kampen werden gemarteld.
West-Europese regeringen protesteerden wel tegen deze praktijken, maar echte actie werd nauwelijks ondernomen. Griekenland bleef lid van de NAVO en bleef ook Amerikaanse hulp ontvangen. Voor de Verenigde Staten was Griekenland een onmisbare schakel voor de stabiliteit in de regio.
Papadopoulos trok steeds meer macht naar zich toe. Op 1 juni 1973 riep hij de republiek uit, waarmee er een definitief einde kwam aan de monarchie. In datzelfde jaar namen de (studenten)protesten tegen de regering toe.
Na een bloedige onderdrukking van een opstand op de Polytechnische Hogeschool in Athene moest Papadopoulos het veld ruimen. Hij werd aan de kant geschoven via een staatsgreep onder leiding van een van zijn vroegere medestanders, Dimitrios Ioannidis.
[Vervolg: Politiek 2]
