Moderne politiek 1
De verkiezingen van 1947 leverden een duidelijke overwinning op voor de communisten. Die begonnen daarop het land volgens hun opvattingen te reorganiseren. Alle grond werd onteigend en toegewezen aan landbouwcollectieven.

Ook de industrie werd genationaliseerd, althans: wat daar nog van over was. Voor een belangrijk deel waren industriële installaties al door de Russen weggevoerd bij wijze van oorlogsbuit of herstelbetalingen.
Lang niet alle Hongaren legden zich neer bij de nieuwe situatie. Dit leidde tot een periode van zuiveringen en schijnprocessen, waarbij vooral de rooms-katholieke kerk het moest ontgelden.
De nieuwe grondwet werd geschoeid op Sovjet-leest; sterker: het was een getrouwe kopie van de grondwet van de Sovjet-Unie.
De Russen besloten ook dat Hongarije moest industrialiseren, hoewel het land vrijwel geen grondstoffen had. Het was daarvoor aangewezen op andere landen (met name de Sovjet-Unie). Tegelijkertijd ontstond er een schrijnend tekort aan levensmiddelen.
Dat alles bij elkaar leidde tot een massale volksopstand in oktober 1956. Het leger steunde het volk, en premier Imre Nagy beloofde vrije verkiezingen. Hij verzocht bovendien de Sovjettroepen het land te verlaten. Hongarije trad zelfs uit het Warschau Pact, de militaire tegenhanger van de NAVO.
De Russen lieten het er niet bij zitten. Op 3 november 1956 arresteerden ze een Hongaarse delegatie die met de Russen wilde onderhandelen over de definitieve terugtrekking van de Sovjet-troepen. Russische tanks vielen Boedapest binnen en na vier dagen verbeten strijd werd de Hongaarse hoofdstad ingenomen. De Hongaarse droom leek in de kiem gesmoord.
[Vervolg: Politiek 2]
