Moderne politiek 1

Al direct na de onafhankelijkheid raakten India en Pakistan in oorlog over Jammu en Kashmir, een overwegend islamitische deelstaat. De kwestie-Kashmir speelt nog steeds tussen de twee landen, die na deze eerste oorlog nog enkele keren in gevecht raakten. Elders in India braken rellen uit tussen moslims en hindoes. Mahatma Gandhi ging vasten om nogmaals geweldloosheid te prediken, maar op 30 januari 1948 werd hij doodgeschoten door een hindoe-extremist.

Gandhi’s medestander in de geweldloze strijd, Jawaharlal Nehru, was bij de onafhankelijkheid de eerste premier geworden van India. Hij bleef dat tot zijn dood in 1964. Nehru speelde een belangrijke rol bij de beweging van de niet-gebonden landen, landen die niet tot het Westerse en niet tot het communistische blok behoorden.

Nehru’s Congrespartij ontwikkelde een "socialistische" politiek, hoewel het particuliere ondernemerschap gehandhaafd bleef. De nadruk werd gelegd op de ontwikkeling van zware industrie. Onder meer door oorlogen met Pakistan en China en misoogsten in de landbouw ging het economisch alleen maar slechter met India.

Na de dood van Nehru nam daarbij ook nog eens de politieke instabiliteit toe. Zijn dochter Indira Gandhi (géén familie van Mahatma) nam zijn plaats over, maar onder haar leiding verloor de Congrespartij de meerderheid in het parlement. Ze kon zich min of meer handhaven door verdeeldheid binnen de oppositie.

Toch behaalde Indira Gandhi in 1971 een grote verkiezingsoverwinning. Dat gebeurde dankzij de succesvol verlopen oorlog met Pakistan over Bangladesh. Dat land (eerst Oost-Pakistan) verklaarde zich onafhankelijk en India steunde het daarbij. De roes over de oorlog was snel uitgewerkt. Gandhi werd beschuldigd van verkiezingsfraude en de door haar beloofde landhervormingen bleven uit.

[Vervolg: Politiek 2]