Economie
De economische opbouw van Indonesië na de onafhankelijkheid begon pas onder president Soeharto. Hij introduceerde vijfjarenplannen en gaf ruim baan aan buitenlandse investeerders. Tussen 1980 en 1995 groeide de economie fors. Daar kwam een eind aan door de Aziatische financiële crisis in 1997. Indonesië werd hard getroffen door die crisis, waardoor uiteindelijk (in 1998) president Soeharto werd gedwongen af te treden (zie Moderne politiek).
Na enkele "tussenpausen" is de huidige president Yudhoyono er alles aan gelegen Indonesië economisch te ontwikkelen. Het land wordt gezien als een "slapende tijger", die in de komende jaren wellicht kan wedijveren met opkomende grootmachten als China en India. Maar dan moet er wel iets gebeuren aan de "hoge kosten" van ondernemen in Indonesië, oftewel: de grootschalige corruptie, de eindeloze bureaucratie en de inefficiënte bedrijfsstructuren.
Yudhoyono heeft daar een begin mee gemaakt. Zo verlaagde hij de subsidies op benzine. Die maatregel stuitte op zwaar verzet, maar de president zette toch door. Verder stootte hij het staatsoliebedrijf Pertamina voor het hoofd door het Amerikaanse ExxonMobil te vragen de enorme olievoorraden voor de oostkust van Java te gaan exploiteren. Pertamina moet daar maar een lesje van leren, vindt Yudhoyono, die zich ergert aan de dalende olieproductie van Indonesië (sinds 2000 is de productie 20% gedaald). Zijn beslissing om ExxonMobil binnen te halen, is tegelijk een waarschuwing voor andere staatsbedrijven.
Verder heeft Yudhoyono de oorlog verklaard aan corruptie, waarbij hij ambtenaren op hoge posten niet ontziet.
Indonesië heeft een enorm potentieel aan grondstoffen: olie, gas, tin, bauxiet, nikkel, koper, steenkool, diamant en goud. Maar inefficiëntie en corruptie staan de exportgroei van deze grondstoffen in de weg. Zo moest Indonesië in 2004 zelfs overgaan tot het invoeren van olie, omdat de eigen productie onvoldoende was.
Sinds de jaren '90 is de industrie in belang toegenomen. Vooral de textiel-, kleding- en schoenenfabrieken dragen behoorlijk bij aan de totale export. Daarnaast exporteert het land voedingsmiddelen, auto-onderdelen, elektrische apparatuur en houtproducten. Deze fabrieken zijn vaak gedeeltelijk eigendom van buitenlandse investeerders.
Van de landbouwproductie exporteert Indonesië vooral, koffie, thee, cacao, specerijen en rubber. Rijst wordt het meest verbouwd, maar die is vooral bestemd voor eigen gebruik.
Toerisme
Tot 1998 was er sprake van groei in de toeristensector, maar die heeft de afgelopen jaren forse klappen moeten incasseren. Dat begon in 1998 met het gedwongen aftreden van Soeharto en de politieke instabiliteit die daarop volgde.
Na de aanslagen van 11 september 2001 in de VS bleven wereldwijd veel mensen liever thuis. Vervolgens pleegden terroristen in oktober 2002 een aanslag op het toeristeneiland Bali. Daarbij kwamen meer dan 200 mensen om het leven, de meesten Westerse toeristen. Een jaar later was er in heel Zuidoost-Azië paniek om de ziekte SARS. En of het nog niet genoeg was werd Indonesië in 2003 ook weer getroffen door terroristische aanslagen, ditmaal in Jakarta. In december 2004 annuleerden veel mensen hun reis naar Indonesië, na het zien van tv-beelden over de verwoestende tsunami. Bijna een jaar later ontploften er opnieuw bommen op Bali.
Toch zit het toerisme naar Indonesië sinds 2005 weer in de lift. Het land werd in dat jaar bezocht door ruim 5 miljoen toeristen.
Frits Mulder, Taal en tekst.
