Geschiedenis 1

In Indonesië zijn zeer oude skeletresten gevonden. De bekendste is de zogeheten Javamens die door de Nederlandse oudheidkundige Eugène Dubois in 1891 werd opgegraven. Naar schatting zijn de botten van deze Javamens 1,8 miljoen jaar oud.

Ongeveer een eeuw na het begin van onze jaartelling ontstond er handel tussen India en koninkrijken in de archipel. Indiase handelaren brachten het hindoeïsme en het boeddhisme naar de eilanden.

In de 3de eeuw ontstonden er ook directe contacten met China. Door de opbloeiende export (voornamelijk van kruidnagels, hars en kamfer) nam de macht van sommige koninkrijkjes toe. Zo was er in de 5de eeuw een uitgestrekt Taruma-koninkrijk op Java, rond het huidige Jakarta.

In diezelfde tijd kwam het hindoe-boeddhistische rijk Srivijaya op. Dat ontstond in het zuidoosten van Sumatra maar breidde zijn grondgebied gestaag uit en controleerde het grootste deel van de handel met India en China.

Door een aanval van Zuid-Indiase Cholas op Srivijaya in 1025 werd het koninkrijk verzwakt. De koning van Oost-Java, Srilangga, maakte van de gelegenheid gebruik om de Srivijayanen van Java te verdrijven. Tot de 14de eeuw was de macht evenredig verdeeld tussen Java en Sumatra.

In de 14de eeuw was het Mayapahit-koninkrijk op Java de belangrijkste staat. Dit koninkrijk controleerde het grootste deel van wat nu Indonesië is en een deel van Maleisië. Het was het laatste hindoeïstische rijk. Door contacten met Arabische handelaren verbreidde de islam zich.

De Maleisische stad Melaka was destijds het centrum van de islam in Zuidoost-Azië. Het nieuwe geloof kreeg eerst voet aan wal op Sumatra, daarna breidde de invloed zich uit naar de handelssteden aan de Javaanse noordkust en vervolgens ook naar het binnenland van Java.

Veel vorsten op de Indonesische eilanden bekeerden zich tot de islam omdat ze er financieel beter van werden en de bevolking volgde dat voorbeeld. Ook buiten Java en Sumatra bestonden in de 16de en 17de eeuw grote islamitische vorstendommen.

[Vervolg: Geschiedenis 2]