Geschiedenis 2

[Vervolg van Geschiedenis 1]

In het begin van de 16de eeuw verschenen ontdekkingsreizigers uit Portugal in Indonesië, het eerst op de Molukken (1510). Bijna een eeuw later werden ze gevolgd door Nederlanders.

De eerste vloot onder leiding van Cornelis Houtman kwam in 1596 aan in Bantam op West-Java. Een jaar later kwam de vloot sterk uitgedund in Holland terug: van de 248 bemanningsleden overleefden er slechts 89.

Toch lieten de Hollanders zich daardoor niet afschrikken, want er waren vooruitzichten op vette winsten. In 1602 werd de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) opgericht. In 1618 werd begonnen met de bouw van het kasteel Batavia. Rond dat kasteel verrees een stad, het huidige Jakarta.

De VOC ging bepaald niet zachtzinnig te werk. De verschillende eilanden werd verboden rechtstreeks internationaal zaken te doen, dat kon alleen nog via de VOC. Verder mochten bepaalde specerijen alleen op aangewezen eilanden worden verbouwd (nootmuskaat bijvoorbeeld alleen op Ambon). Zo verkreeg de VOC het monopolie over de specerijenhandel tussen de Indonesische eilanden en Europa.

Aanvankelijk was de VOC er niet op uit om gebied te veroveren. De handelsmaatschappij controleerde alleen Java, de Molukken en enkele handelsposten op verscheidene eilanden. Maar in oorlogen met het Mataram-rijk op Java en andere islamitische vorstendommen breidde de VOC zijn invloed geleidelijk uit.

Door het teruglopen van de handel en financieel wanbestuur kwam de VOC in problemen. In 1799 werd de maatschappij opgeheven. De Indonesische bezittingen kwamen in handen van de Nederlandse staat, toen de Bataafsche Republiek geheten. Het gebied werd vervolgens Nederlands-Indië genoemd, of ook wel kortweg "de Oost" (tegenover "de West": Suriname).

[Vervolg: Geschiedenis 3]