Moderne politiek 1

Toen de Japanners zich overgaven, maakten de Indonesische nationalisten daar meteen gebruik van. Op 17 augustus 1945 riepen Soekarno en Hatta eenzijdig de onafhankelijke Republik Indonesia uit.

Nederland trok zich daar niets van aan en probeerde het koloniale bewind te herstellen. Maar er werden voortdurend aanslagen gepleegd op teruggekeerde kolonisten, vooral op Java.

In 1947 besloot Nederland militair in te grijpen. Die zogeheten politionele actie werd na twee weken gestaakt, onder druk van de Verenigde Naties. In december 1948 werd Yogyakarta gebombardeerd. Soekarno en andere leden van zijn nationalistische regering werden gearresteerd. Het verzet van de Indonesiërs was echter niet gebroken, integendeel, de nationalisten verzetten zich fel tegen de Nederlanders.

De Nederlandse positie was onhoudbaar geworden en opnieuw bemoeide de VN zich met de kwestie. Op 27 december 1949 werd de soevereiniteit overgedragen aan de Indonesische regering onder leiding van president Soekarno en eerste minister Hatta. Alleen West-Nieuw-Guinea bleef Nederlands; dat gebied werd in 1963 overgedragen.

Toch was daarmee de eenheid in Indonesië niet hersteld. De Zuid-Molukken verzetten zich hevig tegen opname in de Indonesische Republiek. Op Java werd een extreem-islamitische beweging hardhandig onderdrukt. En in de jaren '50 waren er opstanden in diverse "buitengewesten" tegen het centrale bewind in Jakarta. Tegelijkertijd verslechterde de economie.

Soekarno besloot in te grijpen en zette de politieke partijen buitenspel. Hij installeerde een Nationale Raad met leden die hij zelf koos. Soekarno noemde dit "geleide democratie", maar in feite vestigde hij een dictatuur.

Hij introduceerde een felle anti-westerse politiek en voerde ook campagne tegen de nieuwe buurstaat Maleisië. Dat land nam het noorden van Borneo in beslag, een gebied dat volgens Soekarno bij Indonesië hoorde.

[Vervolg: Politiek 2]