Moderne politiek 2

[Vervolg van Politiek 1]

Op 30 september 1965 ondernamen enkele linkse legereenheden een poging tot staatsgreep. Zes hoge legerofficieren werden vermoord. Soekarno herstelde de rust met hulp van ene generaal Soeharto, die een ware communistenjacht ontketende. Daarbij werden naar schatting een half miljoen (vermeende) communisten vermoord.

De coup was weliswaar mislukt, maar Soeharto trok steeds meer macht naar zich toe, daarbij gesteund door het leger. Al in 1966 had hij meer macht dan de president. Soekarno werd in 1967 afgezet, waarna Soeharto eerst waarnemend en in 1968 officieel president werd.

Soeharto introduceerde de Nieuwe Orde (Orde Baru). Hij voerde een pro-westerse politiek en buitenlandse investeringen waren weer welkom. Vooral Nederland en de Verenigde Staten boden financiële en economische hulp. Niet zonder eigenbelang. Deze landen hadden het vooral voorzien op de grondstoffen van Indonesië, onder andere olie.

In 1971 werden er verkiezingen gehouden, maar die werden zwaar gemanipuleerd door het Soeharto-regime. Regeringspartij Golkar won dan ook bijna alle zetels in het parlement. Dat zou ook bij alle volgende verkiezingen (om de vijf jaar) het geval zijn. Soeharto hield het land zo in een ijzeren greep.

In 1975 trokken de Portugezen zich terug uit Oost-Timor. Daarop trok het Indonesische leger het gebied binnen. Ondanks protesten van de VN lijfde Soeharto Oost-Timor in als de 27ste provincie van Indonesië.

Na de oliecrisis van 1973 profiteerde de Indonesische economie van de omhoog schietende olieprijzen, maar ondervond ook de negatieve gevolgen van de inzinking van de oliemarkt enkele jaren later.

Soeharto stelde het land verder open voor buitenlandse investeringen. De economie groeide daardoor wel, maar de ongelijkheid tussen een rijke toplaag en de arme rest nam toe. Het protest tegen Soeharto nam toe. De president wist die protesten aanvankelijk nog te onderdrukken, onder meer door oppositiepartijen simpelweg te verbieden. De Aziatische valutacrisis van 1997 en de economische inzinking die daarop volgde zouden hem uiteindelijk de politieke kop kosten.

Die valutacrisis begon met het instorten van de munteenheid van Thailand. Heel Zuidoost-Azië werd meegesleept, inclusief Indonesië (zie verder bij Economie).

Ondanks de enorme economische problemen en sociale onrust werd Soeharto in 1998 herkozen als president. De bevolking was het zat en ging de straat op. Die demonstraties werden steeds gewelddadiger en richtten zich niet alleen tegen de president maar ook tegen etnische Chinezen. Toen de Golkar-partij de president opriep af te treden, was het met Soeharto gedaan. Op 21 mei 1998 trad Soeharto af, zijn vice-president Habibie werd zijn opvolger.

[Vervolg: Politiek 3]