Economie

Toen Japan zich in de tweede helft van de 19de eeuw weer openstelde voor het buitenland (zie Geschiedenis), stelde het economisch nog weinig voor. Daar kwam snel verandering in. De overheid zag de noodzaak van industrialisering en deed daarom forse investeringen. Aan het begin van de 20ste eeuw was Japan een geïndustrialiseerd land geworden. De textielindustrie was destijds de belangrijkste tak.

De haven van Chiba

Na het verlies in de Tweede Wereldoorlog was Japan geruïneerd. Met hulp van de VS kon het land de industrie weer opbouwen, daarbij geholpen door de Koreaanse oorlog (1950-1953). Het land leverde materieel en services (reparaties) voor de VN-troepen in Korea. De Verenigde Staten zagen Japan als een bastion tegen het oprukkende communisme in Oost-Azië. Aan het eind van de jaren '60 had Japan zich al opgewerkt tot derde economische macht van de wereld. Daarnaast schermde Japan zijn thuismarkt af voor buitenlandse concurrentie.

Japanse producten werden aanvankelijk als inferieur beschouwd. De opdruk Made in Japan stond gelijk aan "B-kwaliteit". Maar Japan leerde snel en wist in korte tijd dat negatieve imago af te schudden. Daarbij kwam dat Japanse goederen (vooral auto’s en elektronica) goedkoop waren. Aan het eind van de jaren '70 groeide in het Westen het verzet tegen de ongebreidelde Japanse uitvoer. Het land werd in 1985 door de andere grote industrielanden gedwongen de koers van de Japanse munt te verhogen. De yen won in een klap 37% aan waarde tegenover de Amerikaanse dollar.

Daardoor nam de export af. Om de economie te stimuleren, verlaagde de overheid de rente. Door die lage rente was het niet erg rendabel grote spaartegoeden aan te houden en geld lenen was voordelig. Het kapitaal stroomde de markt op: huizenprijzen stegen explosief en ook Japanse aandelen stegen fors in waarde. De overheid zag het gevaar en verhoogde de rente weer. Dat leidde echter niet tot een geleidelijke afkoeling; in plaats daarvan barstte de financiële zeepbel uit elkaar. De aandelenmarkt van Tokyo daalde tussen 1989 en 1992 met 70% en de huizenprijzen zelfs met 80%.

Daarna kwam de Aziatische valutacrisis. In 1997 daalden vele Zuidoost-Aziatische valuta's scherp in waarde. De Japanse investeringen in de regio waren opeens veel minder waard. Dit alles bij elkaar bracht Japanse ondernemingen in moeilijkheden. Ze konden hun schulden niet langer terugbetalen. Daardoor kregen ook financiële instellingen het moeilijk. Banken en effectenhuizen gingen failliet. De regering besloot tot forse financiële injecties om de binnenlandse vraag aan te wakkeren. Het hielp weinig.

De diepe economische crisis in Japan duurde maar liefst 15 jaar. Er was soms wel een korte opleving die dan weer direct gevolgd werd door een nieuwe recessie. Deflatie stak de kop op, oftewel dalende prijzen. Dat is gevaarlijk voor een economie, omdat mensen hun aankopen uitstellen in de verwachting dat de prijzen nog wel verder zullen dalen. Pas in de tweede helft van 2005 waren er tekenen dat de Japanse economie echt herstelde.

Inmiddels ontwikkelt rivaal China zich in een razend tempo als economische macht. Dat is op de korte termijn gunstig voor Japan, omdat China veel grondstoffen en andere goederen nodig heeft. Op de lange termijn kan China een geduchte economische concurrent van Japan worden.

Japan heeft weinig natuurlijke hulpbronnen. Voor hun energiebehoefte zijn de Japanners aangewezen op kernenergie en de import van olie. Omdat slechts een klein deel van Japan geschikt is voor landbouw, worden ook voedingsmiddelen geïmporteerd.

Toerisme

Hoewel Japan mooie natuurgebieden heeft, een interessante cultuur en historische bezienswaardigheden wordt het land door betrekkelijk weinig toeristen bezocht. Toch groeit dat aantal wel. In 2005 bezochten 4,3 miljoen buitenlanders Japan, voor het merendeel Zuid-Koreanen, Chinezen en Taiwanezen. Het Japanse Bureau voor Toerisme mikt op 10 miljoen toeristen in 2010.

Frits Mulder, Taal en tekst.