Moderne politiek 1
Nadat Japan in de Tweede Wereldoorlog was verslagen, werd het land bezet door de Amerikanen, onder leiding van generaal MacArthur. In 1946 werd een nieuwe grondwet aangenomen, waarin de democratisering van Japan werd vastgelegd. De keizer werd zijn macht ontnomen, de regeringsleden moesten voortaan burgers zijn en Japan werd ontwapend. Verder werd landbouwgrond herverdeeld onder de boeren, die het in eigendom kregen en werden de lesmethoden op scholen aangepast aan nieuwe, democratische ideeën.
Bij de eerste verkiezingen, in 1946, behaalden twee partijen veel zetels: de Liberale Partij en de Progressieve Partij, die overigens beide een conservatieve inslag hadden. Deze partijen fuseerden in 1954 tot de Liberaal-Democratische Partij, die sindsdien bijna onafgebroken regeringsverantwoordelijkheid heeft gedragen.
Al kort na afloop van de Tweede Wereldoorlog wijzigden de Amerikanen hun ontwapeningspolitiek tegenover Japan. In China greep de communistische leider Mao Zedong de macht en er brak een oorlog uit tussen het door de geallieerden bezette Zuid-Korea en Noord-Korea, dat gesteund werd door de Sovjet-Unie. Uit angst voor een opmars van het communisme kreeg Japan toestemming een Nationale Veiligheidswacht op te richten. En op 28 april 1952 herkreeg Japan zijn onafhankelijkheid. Wel bleven er Amerikaanse marinebases in het land (de grootste op het eiland Okinawa).
Sinds die onafhankelijkheid kende Japan een grote economische bloei. De basis daarvoor werd al gelegd tijdens de Koreaanse oorlog, toen Japanse bedrijven militair materieel leverden en repareerden voor de VN-troepen. Door de snel toenemende welvaart was het politiek betrekkelijk rustig. Wel waren er aan het eind van de jaren '60 felle en soms gewelddadige demonstraties tegen de aanwezigheid van de Amerikanen. Aan het eind van de jaren '60 was Japan al de derde economische macht in de wereld.
De economische groei stagneerde in de jaren '70, maar dat was wereldwijd het geval. Een belangrijke oorzaak was de oliecrisis van 1973, toen Arabische landen de oliekraan dichtdraaiden. Tegelijkertijd kwamen er corruptieschandalen aan het licht. Zo had het Amerikaanse vliegtuigconcern Lockheed miljoenen dollars smeergeld betaald aan LDP-politici. De LDP verloor veel aanhang door de economische malaise en de schandalen, maar kon toch blijven regeren.
Intussen werden de relaties met de Aziatische buurlanden hersteld. Nadat de Amerikaanse president Nixon de banden met China aanhaalde, volgde Japan dat voorbeeld. In 1978 sloten China en Japan een vriendschaps- en vredesverdrag.
[Vervolg: Politiek 2]
