Geschiedenis 1

De Berbers vormen de oorspronkelijke bevolking van Marokko. Het woord berber is afgeleid van het Griekse "barbaroi" en het latere Romeinse "barbari", dat minachtend voor vreemdelingen werd gebruikt ("barbaren").

De Berbers hebben met vele vreemde machten te maken gehad. Al voor onze jaartelling waren het de Feniciërs, die langs de kust van de Middellandse Zee handelsposten stichtten. Aan het eind van de 1e eeuw v. Chr. werd Marokko deel van het Romeinse Rijk. In de eeuwen daarna volgden de Vandalen en de Byzantijnen.

Aan het einde van de 7e eeuw rukten de Arabieren vanuit het oosten op. Aanvankelijk konden de Berbers zich met succes verdedigen, maar uiteindelijk werden ze onderworpen. De Arabieren bekeerden hen tot de islam en namen de Berbers op in de legers die Spanje veroverden.

In de 8e eeuw ontstond in Marokko de eerste islamitische staat onder sultan Moulay Idriss. Zijn zoon, Idriss II, stichtte de stad Fès en maakte het de hoofdstad van zijn rijk. Daarna zou de hoofdstad —onder verschillende dynastieën— nog vele malen wijzigen.

De Almoravieden maakten Marrakech de hoofdstad, hun opvolgers (de Almohaden) vonden Rabat daarvoor beter geschikt. Daarna werd Fès opnieuw hoofdstad, om die titel korte tijd af te staan aan het naburige Meknès. De Fransen maakten in 1912 Rabat de hoofdstad van het protectoraat Marokko.

Onder de Almohaden (1147-1258) breidde het Marokkaanse rijk enorm uit: behalve Marokko zelf omvatte het Algerije, Tunesië, Libië en grote delen van Spanje en Portugal.

Daarna raakte het rijk in verval, maar er brak een nieuwe bloeitijd aan nadat de laatste islamieten uit Spanje waren verdreven (1492).

Marokko profiteerde van de toevloed van Moren en Joden die Spanje waren ontvlucht. Het rijk breidde naar het zuiden uit, maar het noorden viel ten prooi aan de Portugezen en de Spanjaarden.

[Vervolg: Geschiedenis 2]