Geografie
Nieuw-Zeeland ligt in het zuidwestelijke deel van de Grote Oceaan en ten zuidoosten van Australië, waarvan het wordt gescheiden door de Tasmanzee. Het land bestaat uit twee bergachtige eilanden, het Noordereiland en het Zuidereiland, aangevuld met enkele kleinere eilanden(groepen).
Zo ligt Stewart Island ten zuiden van het Zuidereiland, verder zijn er nog de Chatham Islands, de Kermadec Islands, de Auckland Islands en Campbell Island. De twee hoofdeilanden worden gescheiden door de Straat Cook.

De hoofdstad Wellington ligt aan die zee-engte, op het Noordereiland. Wellington is overigens niet de grootste stad van het land. Dat is Auckland, de economische hoofdstad van Nieuw-Zeeland. Andere grote steden zijn Christchurch en Dunedin, beide op het Zuidereiland.
Nieuw-Zeeland heeft twee overzeese gebiedsdelen: de Tokelau Eilanden (ten noorden van de Samoa Eilanden) en Ross Dependency op Antarctica. Afgezien van deze gebiedsdelen heeft het land een oppervlakte van ongeveer 270.000 km² en is daarmee 6 1/2 keer zo groot als Nederland.
Tussen de noordelijkste punt van het Noordereiland en het zuidelijkste punt van Stewart Island ligt zo’n 1600 kilometer. Het land ligt erg geïsoleerd: de naaste buren Australië en Nieuw-Caledonië liggen op een afstand van respectievelijk 2000 en 1500 kilometer.
Het land ligt op de grens van twee aardschollen: de Indisch-Australische schol en de Pacifische schol. Door het langs elkaar bewegen van deze platen zijn de bergen op het Zuidereiland ontstaan, de Nieuw-Zeelandse Alpen. Daar ligt het hoogste punt van het land, Mount Cook (3764 meter). Door gletsjerwerking zijn in die bergen diepe dalen uitgesleten die vervolgens werden opgevuld met water. Dit zogeheten Fjordland is een nationaal park.
De bergen op het Noordereiland zijn van vulkanische oorsprong, waarvan er nog enkele actief zijn zoals de Taranaki en de Ruapehu (2797 meter). De laatste uitbarsting van de Ruapehu was in 1997. Verder komen er ook vulkanische verschijnselen als geisers en heetwaterbronnen voor, vooral bij Rotorua en rond het Taupomeer dat zelf het resultaat is van een enorme vulkaanuitbarsting.
In tegenstelling tot het Zuidereiland is het Noordereiland grillig van vorm. Het noordwestelijke deel is een schiereiland dat omgeven wordt door diepe baaien: Bream Bay, Kaipara Harbour en Hauraki Gulf. Verder naar het zuiden liggen aan de oostkust van het Noordereiland de Bay of Plenty en de Hawke Bay en aan de westkust de North Taranaki Bight en de South Taranaki Bight.
Nieuw-Zeeland kent een gematigd klimaat met vrij veel neerslag die gelijkmatig is verspreid over het jaar. Er zijn uiteraard verschillen tussen het noorden en het zuiden, maar het grootste verschil vind je op het Zuidereiland, waar de Nieuw-Zeelandse Alpen een duidelijke scheiding vormen. In het zuidwesten van het eiland valt veel neerslag (bijna 8000 mm per jaar!), ten oosten van de bergen is het veel droger. Daar vind je dan ook veel wijngebieden, onder meer Nelson en Marlborough. Wijngebieden zijn er ook op het Noordereiland (zie verder bij Economie).
Door de geïsoleerde ligging heeft Nieuw-Zeeland een eigen flora en fauna. Het nationale symbool is de kiwi, een bijna blind en vleugelloos vogeltje dat zich voedt met insecten en bessen. Van de oorspronkelijke 12 miljoen kiwi’s zijn er nog maar zo’n 70.000 over.
De naam Nieuw-Zeeland komt van de eerste Europeaan die het land bezocht, de Nederlandse ontdekkingsreiziger Abel Tasman. In 1642 bezocht hij de noordelijke kust van het Zuidereiland, maar zijn ontmoeting met de plaatselijke bevolking (Maori’s) verliep niet al te vriendelijk (zie verder Geschiedenis).
Frits Mulder, Taal en tekst.
