Schaken voor beginners: het paard
Het paard beweegt op een heel merkwaardige wijze; we noemen dat: "de paardensprong".Om een paardensprong uit te voeren, ga je met het paard eerst twee vakjes naar voren of naar achteren en daarna een vakje naar links of naar rechts; maar je mag ook eerst twee vakjes naar links of naar rechts, en dan een vakje naar voren of naar achteren.
Dat klinkt misschien een beetje ingewikkeld, maar als je op het diagram hieronder kijkt, wordt het hopelijk snel duidelijk.

Het zwarte paard in de hoek (op het veld a1) kan maar naar twee andere velden springen: b3 of c2 (aangegeven met rood).
Het witte paard op veld f5 heeft veel meer bewegingsvrijheid: het kan naar acht andere velden springen (aangegeven met groen), bijvoorbeeld e7, h6 of e3.
Het paard heeft twee bijzondere eigenschappen. Om te beginnen is het het enige stuk in het schaakspel dat over andere stukken heen kan springen. Het zwarte paard op a1 mag over twee torens heen springen: de eigen (zwarte) toren op a2 en de vijandelijke (witte) toren op b2.
De andere bijzonderheid van het paard is, dat het altijd op een veld van een andere kleur komt te staan als je er mee zet.
Kijk maar: het zwarte paard staat nu op a1, een zwart veld. Als je er een zet mee doet, dan komt het terecht op b3 of c2, en dat zijn allebei witte velden. Iets soortgelijks geldt voor het witte paard op f5, een wit veld: dat kan alleen maar naar zwarte velden springen.
Je kan dus onthouden dat een paard waarmee gezet wordt, afwisselend op witte en zwarte velden terecht komt.
