Schaken voor beginners: schaak

Als de koning door de tegenstander wordt aangevallen, dan zeggen we dat hij schaak staat.

In dat geval moet de speler wiens koning wordt aangevallen iets doen om ervoor te zorgen dat hij niet meer schaak staat; als hij dat niet kan, dan is het schaakmat en heeft hij de partij verloren.

Er zijn in theorie drie manieren om ervoor te zorgen dat je niet meer schaak staat (we zeggen ook wel: "om het schaak op te heffen", of: "om de koning aan het schaak te onttrekken").

Je kan de koning verplaatsen, je kan een stuk tussen de koning en het aanvallende stuk plaatsen, en je kan het aanvallende stuk slaan. Kijk maar eens naar het volgende diagram:

Schaak

De witte dame op veld b5 valt de zwarte koning op veld e8 aan; die koning staat schaak. Wat kan de zwartspeler doen om ervoor te zorgen dat hij niet meer schaak staat?

Om te beginnen kan hij de koning verplaatsen. De koning mag niet naar veld d7, want dan wordt hij nog steeds aangevallen door de witte dame. Hij kan ook niet naar veld d8, want dan zou hij worden aangevallen door de loper op a5. Maar de zwarte koning kan wel vluchten naar veld f8.

Zwart kan ook een stuk tussen zijn koning en de aanvallende witte dame plaatsen. Als zwart zijn dame verplaatst van veld c8 naar veld d7, dan staat hij niet meer schaak.

Tenslotte kan zwart het aanvallende stuk slaan: de zwarte pion op a6 kan de witte dame op b5 slaan.

In een echte partij zal zwart hoogstwaarschijnlijk kiezen voor die laatste oplossing: zwart staat dan niet meer schaak, en bovendien is wit zijn machtigste stuk kwijt!