Geschiedenis 2

[Vervolg van Geschiedenis 1]

In Europa had Spanje aanvankelijk succes met het uitbreiden van zijn macht. Zo was Karel I niet alleen koning van Spanje en alle koloniën, maar onder de naam Karel V ook keizer van het Heilige Roomse Rijk en Heer der Nederlanden. Maar onder zijn opvolger, Filips II kwamen er barsten in de Spaanse kroon.

Hij wist nog wel Portugal en de bijbehorende koloniën in te lijven, na de dood van de Portugese koning. Maar de voortdurende strijd van Filips II en zijn opvolgers tegen de protestanten in de Lage Landen en tegen de heidense Turken in het Middellandse Zeegebied kostten enorm veel geld. Om die oorlogen te bekostigen werden de belastingen verhoogd, maar daartegen kwam het volk in opstand.

Spanje had de handen vol aan het onderdrukken van opstanden in onder andere Catalonië en Andalusië. Portugal maakte daar handig gebruik van door zich onafhankelijk te verklaren. Bij de Vrede van Münster (1648) verloren de Spanjaarden de Noordelijke Nederlanden, die ook onafhankelijk werden. Franse gebieden werden teruggegeven aan Frankrijk en ook de Zuidelijke Nederlanden werden Frans. Tegen het einde van de 17de eeuw was er van de Spaanse macht in Europa weinig over.

Die macht zou nog verder afbrokkelen. De Spaanse successie-oorlog om de opvolging van Karel II was in feite een Europese oorlog: Frankrijk, Oostenrijk, Engeland, Nederland en Portugal waren erbij betrokken. Bij de Vrede van Utrecht (1713) verloor Spanje vrijwel alle bezittingen in Europa en moest het Gibraltar afstaan aan de Engelsen.

In het begin van de 19de eeuw schaarde Spanje zich korte tijd aan de kant van Napoleon. Die liefde bekoelde snel toen de Franse keizer Spanje binnenviel en zijn broer Jozef Bonaparte op de Spaanse troon zette. Gesteund door de Engelsen werden de Fransen in 1814 uit Spanje verjaagd.

Ondertussen roerden de Spaanse koloniën in Amerika zich. Tussen 1815 en 1825 werden ze vrijwel allemaal onafhankelijk. In de tweede helft van de 19de eeuw verloor Spanje zijn laatste Amerikaanse en Aziatische koloniën (Cuba, Puerto Rico, de Filippijnen, Guam).

Het begin van de 20ste eeuw was chaotisch. Spanje nam tijdens de Eerste Wereldoorlog een neutrale positie in, maar de binnenlandse onrust was groot. Er waren opstanden en stakingen in gebieden die streefden naar zelfbestuur. Vooral de Catalanen in Noordoost-Spanje lieten zich flink gelden.

In 1931 ontvluchtte Koning Alfonso XIII het land, waarna de republikeinen het roer overnamen. In de nieuwe grondwet kreeg Catalonië zelfbestuur, zeer tegen de zin van de rechtse partijen. Toen het linkse Volksfront (een bundeling van republikeinen, socialisten en communisten) in 1936 de verkiezingen won, kwamen de rechtse nationalisten in opstand. Dat was het startsein voor de Spaanse Burgeroorlog.

Het Volksfront werd gesteund door de Sovjet-Unie, de nationalisten door Italië en Hitler-Duitsland. De rechtse generaal Francisco Franco kwam als overwinnaar uit de strijd en stichtte in 1939 een militaire dictatuur, die tot 1975 zou voortduren.

(zie voor Spanje vanaf 1945: Moderne politiek)

Frits Mulder, Taal en tekst.