Sevilla
Sevilla heeft bijna 700.000 inwoners en is de hoofdstad van de autonome regio Andalusië. Het was al een bloeiende nederzetting toen Julius Caesar in 45 v. Chr. de stad veroverde.
Sevilla’s verleden gaat terug tot de Feniciërs, de Grieken en de Carthagers. Een inscriptie boven een van de stadspoorten luidde dan ook ooit: “Hercules heeft me gebouwd, Julius Caesar heeft me met muren omgeven, en de Heilige Koning (Ferdinand III) heeft me ingenomen.”

Sevilla is de stad van flamenco, fiestas en architectuur. Net als andere steden in het zuiden dankt Sevilla veel bezienswaardigheden aan de Moren.
De sierlijke Giralda-toren, die sterk lijkt op de Koutoubia in Marrakech, is het symbool van de stad. De Giralda hoorde bij een grote moskee, maar die werd in 1401 door de christelijke heroveraars afgebroken om er een kathedraal voor in de plaats te bouwen.
Het Alcázar, het koninklijk paleis, heeft zijn oorspronkelijke functie behouden. De bovenverdieping van het hoofdgebouw herbergt appartementen voor de Spaanse koninklijke familie en is niet toegankelijk.
Columbus begon zijn ontdekkingstochten vanuit de haven van Sevilla. Deze reizen brachten de stad tot grote bloei. In 1503 kreeg Sevilla het monopolie over de handel met de Nieuwe Wereld. De massieve Torre del Oro (Gouden Toren) werd gebruikt als kluis, om de schatten uit Amerika in te bewaren.
De oude joodse wijk Barrio de Santa Cruz is een doolhof van steegjes. Hoewel erg op toeristen gericht, is de wijk zeker een bezoek waard. Voor authentieke flamenco-voorstellingen moet je zijn in de volkswijk Triana, aan de overkant van de rivier de Guadalquivir.

Sevilla kent vele festivals en evenementen. In het voorjaar zijn er de feria (stadsfeesten), waarbij de inwoners twaalf dagen (en nachten) uitbundig feestvieren. Dit festijn volgt drie weken na Semana Santa, oftewel Heilige Week. Die week staat in het teken van kleurrijke processies verlicht door duizenden kaarsen.
Frits Mulder, Taal en tekst.
