Geschiedenis 1

Vanaf ongeveer 1100 v. Chr. heeft Tunesië te maken gehad met vreemde overheersers. Allereerst waren daar de Feniciërs die aan de monding van de Mejerda-rivier de havenstad Utica bouwden.

Rond 800 v. Chr. stichtte koningin Dido de stad Carthago, die eeuwenlang de belangrijkste handelsstad was van de Feniciërs.

Het Fenicische Rijk kwam geregeld in aanvaring met de Romeinen. Beide partijen streefden naar de macht in het Middellandse Zeegebied, waarbij de Feniciërs uiteindelijk het onderspit delfden.

Legendarisch is de tocht van Hannibal die in 218 v. Chr. zijn leger met olifanten over de Alpen naar Italië stuurde. Aanvankelijk boekte hij grote militaire successen tegen de Romeinen, maar in de zogeheten Derde Punische Oorlog (150-146 v. Chr.) viel Carthago definitief.

De stad werd door de Romeinen verwoest, de inwoners werden tot slaven gemaakt, en het grondgebied werd een deel van de Romeinse provincie Africa. De keizers Julius Caesar en Augustus bouwden op dezelfde plaats een nieuwe stad.

Toen het Romeinse Rijk sterk verzwakte, werden in de 5de eeuw grote delen van Noord-Afrika veroverd door de Vandalen, die op hun beurt een eeuw later het gebied moesten afstaan aan de Byzantijnen.

Berber-ruines in Tunesie

Weer een eeuw later werd Noord-Afrika overspoeld door Arabieren. Dat heeft de grootste invloed gehad op wat Tunesië vandaag de dag is. De oorspronkelijke Berber-bevolking nam de Arabische taal over en bekeerde zich tot de islam.

In 1547 veroverden de Turken Tunesië; het land werd een deel van het Ottomaanse Rijk maar behield een grote mate van zelfstandigheid.

Onder de in 1705 aangestelde bei (stadhouder) Hoessein Ali ben Turki kwam Tunesië tot grote bloei.

Het land haalde zijn inkomsten niet alleen uit de handel en de landbouw, ook de zeeroverij leverde Tunesië het nodige op. De Barbarijse zeerovers waren gevreesd in het hele Middellandse Zeegebied.

[Vervolg: Geschiedenis 2]